Burgerlijke (on)gehoorzaamheid

Het is inmiddels een even vertrouwd geluid als het zestonige autoalarm in Zuid-Amerika: de leuzen, toeters en marcherende voeten die van leraren in protest. Al meer dan twee maanden bevolken ze de centrale pleinen van steden en bovenmaatse dorpen in Peru. Klaslokalen zijn leeg, kinderen spelen op straat. In juni is de noodtoestand uitgeroepen; op die manier kan het leger ingrijpen als het protest de staat wat al te gortig wordt. De blokkades rond Cusco die al het verkeer van en naar Machu Picchu stil legden, brachten het leger bijna in actie. De overheid dreigt nu de salarissen niet meer te betalen wanneer de massale ongehoorzaamheid van de meesters en juffen aanhoudt.

Demonstrerende leraren met een lange adem in Cajamarca, Peru.

Vadertje staat

Hoe anders je onvrede te uiten in een land waar het met de persvrijheid matig is gesteld (bron) en je onderwijscarrière in 50% van de gevallen ophoudt na de basisschool (bron). Invloed uitoefenen via de officiële kanalen zit er voor velen niet in. Trouwens, zonder een geinig stapeltje Soles om rond te strooien, kom je waarschijnlijk toch niet ver. Onlangs werd al de derde oud-president van Peru opgepakt wegens een immens corruptieschandaal. Niet bepaald een betrouwbare partner, die overheid.

Bureaucratie-vermijdend gedrag

Daarom laveert men hier waar mogelijk wijselijk om overheidsregels – en instanties heen. De nationale post? Een draak. Traag, vaag, duur, bureaucratisch… helaas heb ik het aan den lijve moge ondervinden. Een pakketje met fietswaren en schoeisel heeft er twee maanden over gedaan om in mijn bezit te komen – en zonder een vervalste handtekening, een paar tranen en ijsjes voor alle postbeambtes stond het nog te verstoffen in een magazijn. Het Peruaanse alternatief? Je geeft je pakketje af bij de lokale busboer en laat die je spul tegen een schappelijk tarief razendsnel van a naar b brengen. Geen kopie van je paspoort in drievoud nodig, geen wachtrijen, geen slecht leesbare formulieren. Hoppakee.

Bij het postkantoor om de omkoopwaar (ijsjes!) af te leveren in ruil voor de overdracht van het langverwachte pakketje.

Het niet naleven van regels lijkt hier onderhand een volkssport. Daar waar een zebrapad op de weg gekalkt is word je juíst van je sokken gereden en daar waar een moedig bord propageert ‘geen afval dumpen’ vind je juíst bergen plastic en rottende kadavers.

Het braafste jongetje van de klas

In Nederland zijn we gewend braaf te zijn. Zó braaf, dat de leraren die betere arbeidsvoorwaarden eisen één uur staken. Een uur!? In Peru heet dat geen staking maar even bijkletsen bij de koffieautomaat. Het is niet eens voldoende tijd om je als kind stierlijk te gaan zitten vervelen.

En als de overheid geen regels opstelt, raken we in paniek. Voor de Nijmeegse nevelgeul – inmiddels een informele recreatieplas – zijn nog geen regels opgesteld over wat wel en niet mag in het water. De verontwaardigde burgers smeken om richtlijnen angstig voor de wetteloosheid die wel eens zou kunnen optreden tijdens een dagje recreëren.

Natuurlijk zijn er genoeg Peruanen die verlangend kijken naar plaatsen zoals Nederland waar braafheid, voorspelbaarheid en structuur de boventoon voeren. Die solliciteren waarschijnlijk bij de nationale post óf bij plekken waar oude gewoontes geen plek krijgen. Daar waar alles gloednieuw en glanzend is, waar het lukt de Peruaanse lak-aan-regels cultuur als een tabula rasa te overschrijven – om vervolgens aan het andere uiterste van het braafheidsspectrum te belanden.

De kunst die buigzaamheid heet

Winkelcentra zijn hiervan geweldige voorbeelden. Er zijn parkeerplaatsen met een hek er omheen en bewakers die zelfs voor fietsen een bonnetje uitschrijven. Niemand kan uitleggen waarom maar anders: geen toegang! Je tas met boodschappen wordt bij vertrek gecontroleerd door een beveiliger. Heb je de bon al weggegooid? Probleem!

De regels zijn hier niet langer van elastiek maar van staal.

Die onbuigzaamheid nam hilarische proporties aan in Kuelap. Daar is op een 3000 meter hoge bergrug een prachtige citadel te bewonderen van voor de Incaperiode. Dit jaar is een kabelbaan er naartoe geopend: de eerste kabelbaan die Peru rijk is. Een spiksplinternieuwe gadget die vraagt om een spiksplinternieuwe gedragscode.

Toegegeven: het uitzicht in het liftje naar Kuelap was geweldig. En het scheelde twee uur (enkele reis) hobbelen langs afgronden.

Alle regels worden tijdens het wachten bij de entree (waar je een toegangskaartje krijgt met een tijd tot op de minuut nauwkeurig) gepresenteerd in een gelikt instructiefilmpje. Voor de busrit van 5 minuten kan beginnen (tijd die gebruikt wordt om alle veiligheidsvoorschriften over de bezoekers uit te storten) wordt gecontroleerd of iedereen zijn riem om heeft. Bij de kabelbaan aangekomen vindt de derde check van het kaartje plaats, daarna is het grote moment van instappen bijna daar. Het is rustig dus we stappen met slechts drie passagiers in een achtpersoons liftje. Desondanks staat de dame van dienst erop dat we op de daarvoor op de vloer aangebrachte nummers ‘1’,  ‘2’ en ‘3’ plaatsnemen in afwachting van het openen van de deurtjes. We kijken haar schutterig lachend aan; dit is vast een grapje..? Het liftje gaat aan onze neus voorbij.

… zucht …

Ook al mis ik de voorspelbare braafheid van Nederland na 6 maanden chaotisch Zuid-Amerika, deze militaristische benadering raakt bij mij de verkeerde snaar.

 

Regels. Ongehoorzaamheid. Braafheid. Vrijheid. Zowel in Nederland als in Peru is het zoeken naar de balans.